fabriceren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fabriceren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fabriceren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fabricerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefabriceerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfabriceer
jijfabriceert
hijfabriceert
wijfabriceren
julliefabriceren
zijfabriceren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefabriceerd
jijhebt gefabriceerd
hijheeft gefabriceerd
wijhebben gefabriceerd
julliehebben gefabriceerd
zijhebben gefabriceerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfabriceerde
jijfabriceerde
hijfabriceerde
wijfabriceerden
julliefabriceerden
zijfabriceerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefabriceerd
jijhad gefabriceerd
hijhad gefabriceerd
wijhadden gefabriceerd
julliehadden gefabriceerd
zijhadden gefabriceerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fabriceren
jijzult fabriceren
hijzal fabriceren
wijzullen fabriceren
julliezullen fabriceren
zijzullen fabriceren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefabriceerd hebben
jijzult gefabriceerd hebben
hijzal gefabriceerd hebben
wijzullen gefabriceerd hebben
julliezullen gefabriceerd hebben
zijzullen gefabriceerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fabriceren
jijzou fabriceren
hijzou fabriceren
wijzouden fabriceren
julliezouden fabriceren
zijzouden fabriceren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefabriceerd hebben
jijzou gefabriceerd hebben
hijzou gefabriceerd hebben
wijzouden gefabriceerd hebben
julliezouden gefabriceerd hebben
zijzouden gefabriceerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfabriceer

Translations

  • fabricate, form by art and labor; manufacture
  • fabricate, invent and form; forge
  • manufacture, to produce goods
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    aanmaken
    produceren
    produceren
    maken, opleveren, vervaardigen, voortbrengen
    vervaardigen
    maken, produceren

    Sample Sentences

    • [...] zoo goed, braaf man als hij zelf was, die een ingenio, gelijk men het noemt, dat is, eene plantaadje en suikerfabrijk had. Ik bleef daar eenigen tijd, en leerde de wijze, waarop de suiker geteeld en gefabriceerd wordt. Ziende hoe goed de planters leefden, en hoe spoedig rijk zij werden, besloot ik, als ik er verlof toe bekomen kon, mij daar te vestigen, en even als zij, een planter te worden; terwijl ik [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    Borrowed from Middle French fabriquer.

    Additional Information