exposeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of exposeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: exposeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: exposerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëxposeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikexposeer
jijexposeert
hijexposeert
wijexposeren
jullieexposeren
zijexposeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëxposeerd
jijhebt geëxposeerd
hijheeft geëxposeerd
wijhebben geëxposeerd
julliehebben geëxposeerd
zijhebben geëxposeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikexposeerde
jijexposeerde
hijexposeerde
wijexposeerden
jullieexposeerden
zijexposeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëxposeerd
jijhad geëxposeerd
hijhad geëxposeerd
wijhadden geëxposeerd
julliehadden geëxposeerd
zijhadden geëxposeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal exposeren
jijzult exposeren
hijzal exposeren
wijzullen exposeren
julliezullen exposeren
zijzullen exposeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëxposeerd hebben
jijzult geëxposeerd hebben
hijzal geëxposeerd hebben
wijzullen geëxposeerd hebben
julliezullen geëxposeerd hebben
zijzullen geëxposeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou exposeren
jijzou exposeren
hijzou exposeren
wijzouden exposeren
julliezouden exposeren
zijzouden exposeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëxposeerd hebben
jijzou geëxposeerd hebben
hijzou geëxposeerd hebben
wijzouden geëxposeerd hebben
julliezouden geëxposeerd hebben
zijzouden geëxposeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijexposeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French exposer, from Middle French exposer. See: French 'exposer', Middle French 'exposer'.

Additional Information