endosseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of endosseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: endosseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: endosserend
Past participle - Verleden deelwoord: geëndosseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikendosseer
jijendosseert
hijendosseert
wijendosseren
jullieendosseren
zijendosseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëndosseerd
jijhebt geëndosseerd
hijheeft geëndosseerd
wijhebben geëndosseerd
julliehebben geëndosseerd
zijhebben geëndosseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikendosseerde
jijendosseerde
hijendosseerde
wijendosseerden
jullieendosseerden
zijendosseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëndosseerd
jijhad geëndosseerd
hijhad geëndosseerd
wijhadden geëndosseerd
julliehadden geëndosseerd
zijhadden geëndosseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal endosseren
jijzult endosseren
hijzal endosseren
wijzullen endosseren
julliezullen endosseren
zijzullen endosseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëndosseerd hebben
jijzult geëndosseerd hebben
hijzal geëndosseerd hebben
wijzullen geëndosseerd hebben
julliezullen geëndosseerd hebben
zijzullen geëndosseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou endosseren
jijzou endosseren
hijzou endosseren
wijzouden endosseren
julliezouden endosseren
zijzouden endosseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëndosseerd hebben
jijzou geëndosseerd hebben
hijzou geëndosseerd hebben
wijzouden geëndosseerd hebben
julliezouden geëndosseerd hebben
zijzouden geëndosseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijendosseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information