escorteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of escorteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: escorteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: escorterend
Past participle - Verleden deelwoord: geëscorteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikescorteer
jijescorteert
hijescorteert
wijescorteren
jullieescorteren
zijescorteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëscorteerd
jijhebt geëscorteerd
hijheeft geëscorteerd
wijhebben geëscorteerd
julliehebben geëscorteerd
zijhebben geëscorteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikescorteerde
jijescorteerde
hijescorteerde
wijescorteerden
jullieescorteerden
zijescorteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëscorteerd
jijhad geëscorteerd
hijhad geëscorteerd
wijhadden geëscorteerd
julliehadden geëscorteerd
zijhadden geëscorteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal escorteren
jijzult escorteren
hijzal escorteren
wijzullen escorteren
julliezullen escorteren
zijzullen escorteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëscorteerd hebben
jijzult geëscorteerd hebben
hijzal geëscorteerd hebben
wijzullen geëscorteerd hebben
julliezullen geëscorteerd hebben
zijzullen geëscorteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou escorteren
jijzou escorteren
hijzou escorteren
wijzouden escorteren
julliezouden escorteren
zijzouden escorteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëscorteerd hebben
jijzou geëscorteerd hebben
hijzou geëscorteerd hebben
wijzouden geëscorteerd hebben
julliezouden geëscorteerd hebben
zijzouden geëscorteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijescorteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

begeleiden
chaperonneren, vergezellen
bewaken
begeleiden, beschermen, beveiligen

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French escorter. See: French 'escorter'.

Additional Information