embarkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of embarkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: embarkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: embarkerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëmbarkeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikembarkeer
jijembarkeert
hijembarkeert
wijembarkeren
jullieembarkeren
zijembarkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëmbarkeerd
jijhebt geëmbarkeerd
hijheeft geëmbarkeerd
wijhebben geëmbarkeerd
julliehebben geëmbarkeerd
zijhebben geëmbarkeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikembarkeerde
jijembarkeerde
hijembarkeerde
wijembarkeerden
jullieembarkeerden
zijembarkeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëmbarkeerd
jijhad geëmbarkeerd
hijhad geëmbarkeerd
wijhadden geëmbarkeerd
julliehadden geëmbarkeerd
zijhadden geëmbarkeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal embarkeren
jijzult embarkeren
hijzal embarkeren
wijzullen embarkeren
julliezullen embarkeren
zijzullen embarkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëmbarkeerd hebben
jijzult geëmbarkeerd hebben
hijzal geëmbarkeerd hebben
wijzullen geëmbarkeerd hebben
julliezullen geëmbarkeerd hebben
zijzullen geëmbarkeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou embarkeren
jijzou embarkeren
hijzou embarkeren
wijzouden embarkeren
julliezouden embarkeren
zijzouden embarkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëmbarkeerd hebben
jijzou geëmbarkeerd hebben
hijzou geëmbarkeerd hebben
wijzouden geëmbarkeerd hebben
julliezouden geëmbarkeerd hebben
zijzouden geëmbarkeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijembarkeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information