ambreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of ambreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: ambreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ambrerend
Past participle - Verleden deelwoord: geambreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikambreer
jijambreert
hijambreert
wijambreren
jullieambreren
zijambreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geambreerd
jijhebt geambreerd
hijheeft geambreerd
wijhebben geambreerd
julliehebben geambreerd
zijhebben geambreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikambreerde
jijambreerde
hijambreerde
wijambreerden
jullieambreerden
zijambreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geambreerd
jijhad geambreerd
hijhad geambreerd
wijhadden geambreerd
julliehadden geambreerd
zijhadden geambreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal ambreren
jijzult ambreren
hijzal ambreren
wijzullen ambreren
julliezullen ambreren
zijzullen ambreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geambreerd hebben
jijzult geambreerd hebben
hijzal geambreerd hebben
wijzullen geambreerd hebben
julliezullen geambreerd hebben
zijzullen geambreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou ambreren
jijzou ambreren
hijzou ambreren
wijzouden ambreren
julliezouden ambreren
zijzouden ambreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geambreerd hebben
jijzou geambreerd hebben
hijzou geambreerd hebben
wijzouden geambreerd hebben
julliezouden geambreerd hebben
zijzouden geambreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijambreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information