dilueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dilueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dilueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: diluerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedilueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdilueer
jijdilueert
hijdilueert
wijdilueren
julliedilueren
zijdilueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedilueerd
jijhebt gedilueerd
hijheeft gedilueerd
wijhebben gedilueerd
julliehebben gedilueerd
zijhebben gedilueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdilueerde
jijdilueerde
hijdilueerde
wijdilueerden
julliedilueerden
zijdilueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedilueerd
jijhad gedilueerd
hijhad gedilueerd
wijhadden gedilueerd
julliehadden gedilueerd
zijhadden gedilueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dilueren
jijzult dilueren
hijzal dilueren
wijzullen dilueren
julliezullen dilueren
zijzullen dilueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedilueerd hebben
jijzult gedilueerd hebben
hijzal gedilueerd hebben
wijzullen gedilueerd hebben
julliezullen gedilueerd hebben
zijzullen gedilueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dilueren
jijzou dilueren
hijzou dilueren
wijzouden dilueren
julliezouden dilueren
zijzouden dilueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedilueerd hebben
jijzou gedilueerd hebben
hijzou gedilueerd hebben
wijzouden gedilueerd hebben
julliezouden gedilueerd hebben
zijzouden gedilueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdilueer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information