deployeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of deployeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: deployeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: deployerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedeployeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdeployeer
jijdeployeert
hijdeployeert
wijdeployeren
julliedeployeren
zijdeployeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedeployeerd
jijhebt gedeployeerd
hijheeft gedeployeerd
wijhebben gedeployeerd
julliehebben gedeployeerd
zijhebben gedeployeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdeployeerde
jijdeployeerde
hijdeployeerde
wijdeployeerden
julliedeployeerden
zijdeployeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedeployeerd
jijhad gedeployeerd
hijhad gedeployeerd
wijhadden gedeployeerd
julliehadden gedeployeerd
zijhadden gedeployeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal deployeren
jijzult deployeren
hijzal deployeren
wijzullen deployeren
julliezullen deployeren
zijzullen deployeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedeployeerd hebben
jijzult gedeployeerd hebben
hijzal gedeployeerd hebben
wijzullen gedeployeerd hebben
julliezullen gedeployeerd hebben
zijzullen gedeployeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou deployeren
jijzou deployeren
hijzou deployeren
wijzouden deployeren
julliezouden deployeren
zijzouden deployeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedeployeerd hebben
jijzou gedeployeerd hebben
hijzou gedeployeerd hebben
wijzouden gedeployeerd hebben
julliezouden gedeployeerd hebben
zijzouden gedeployeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdeployeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information