cursiveren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cursiveren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cursiveren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cursiverend
Past participle - Verleden deelwoord: gecursiveerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcursiveer
jijcursiveert
hijcursiveert
wijcursiveren
julliecursiveren
zijcursiveren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecursiveerd
jijhebt gecursiveerd
hijheeft gecursiveerd
wijhebben gecursiveerd
julliehebben gecursiveerd
zijhebben gecursiveerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcursiveerde
jijcursiveerde
hijcursiveerde
wijcursiveerden
julliecursiveerden
zijcursiveerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecursiveerd
jijhad gecursiveerd
hijhad gecursiveerd
wijhadden gecursiveerd
julliehadden gecursiveerd
zijhadden gecursiveerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cursiveren
jijzult cursiveren
hijzal cursiveren
wijzullen cursiveren
julliezullen cursiveren
zijzullen cursiveren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecursiveerd hebben
jijzult gecursiveerd hebben
hijzal gecursiveerd hebben
wijzullen gecursiveerd hebben
julliezullen gecursiveerd hebben
zijzullen gecursiveerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cursiveren
jijzou cursiveren
hijzou cursiveren
wijzouden cursiveren
julliezouden cursiveren
zijzouden cursiveren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecursiveerd hebben
jijzou gecursiveerd hebben
hijzou gecursiveerd hebben
wijzouden gecursiveerd hebben
julliezouden gecursiveerd hebben
zijzouden gecursiveerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcursiveer

Translations

  • italicize, to put into italics
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information