curetteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of curetteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: curetteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: curetterend
Past participle - Verleden deelwoord: gecuretteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcuretteer
jijcuretteert
hijcuretteert
wijcuretteren
julliecuretteren
zijcuretteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecuretteerd
jijhebt gecuretteerd
hijheeft gecuretteerd
wijhebben gecuretteerd
julliehebben gecuretteerd
zijhebben gecuretteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcuretteerde
jijcuretteerde
hijcuretteerde
wijcuretteerden
julliecuretteerden
zijcuretteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecuretteerd
jijhad gecuretteerd
hijhad gecuretteerd
wijhadden gecuretteerd
julliehadden gecuretteerd
zijhadden gecuretteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal curetteren
jijzult curetteren
hijzal curetteren
wijzullen curetteren
julliezullen curetteren
zijzullen curetteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecuretteerd hebben
jijzult gecuretteerd hebben
hijzal gecuretteerd hebben
wijzullen gecuretteerd hebben
julliezullen gecuretteerd hebben
zijzullen gecuretteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou curetteren
jijzou curetteren
hijzou curetteren
wijzouden curetteren
julliezouden curetteren
zijzouden curetteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecuretteerd hebben
jijzou gecuretteerd hebben
hijzou gecuretteerd hebben
wijzouden gecuretteerd hebben
julliezouden gecuretteerd hebben
zijzouden gecuretteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcuretteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information