confisqueren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of confisqueren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: confisqueren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: confisquerend
Past participle - Verleden deelwoord: geconfisqueerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconfisqueer
jijconfisqueert
hijconfisqueert
wijconfisqueren
jullieconfisqueren
zijconfisqueren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconfisqueerd
jijhebt geconfisqueerd
hijheeft geconfisqueerd
wijhebben geconfisqueerd
julliehebben geconfisqueerd
zijhebben geconfisqueerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconfisqueerde
jijconfisqueerde
hijconfisqueerde
wijconfisqueerden
jullieconfisqueerden
zijconfisqueerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconfisqueerd
jijhad geconfisqueerd
hijhad geconfisqueerd
wijhadden geconfisqueerd
julliehadden geconfisqueerd
zijhadden geconfisqueerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal confisqueren
jijzult confisqueren
hijzal confisqueren
wijzullen confisqueren
julliezullen confisqueren
zijzullen confisqueren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconfisqueerd hebben
jijzult geconfisqueerd hebben
hijzal geconfisqueerd hebben
wijzullen geconfisqueerd hebben
julliezullen geconfisqueerd hebben
zijzullen geconfisqueerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou confisqueren
jijzou confisqueren
hijzou confisqueren
wijzouden confisqueren
julliezouden confisqueren
zijzouden confisqueren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconfisqueerd hebben
jijzou geconfisqueerd hebben
hijzou geconfisqueerd hebben
wijzouden geconfisqueerd hebben
julliezouden geconfisqueerd hebben
zijzouden geconfisqueerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconfisqueer

Translations

  • impound, to hold in the custody of a court or its delegate
  • confiscate, take possession of by authority
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch confisqueren, from Middle French confisquer, from Latin cōnfiscō. See: Latin 'cōnfiscō'.

    Additional Information