conflicteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of conflicteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: conflicteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: conflicterend
Past participle - Verleden deelwoord: geconflicteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconflicteer
jijconflicteert
hijconflicteert
wijconflicteren
jullieconflicteren
zijconflicteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconflicteerd
jijhebt geconflicteerd
hijheeft geconflicteerd
wijhebben geconflicteerd
julliehebben geconflicteerd
zijhebben geconflicteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconflicteerde
jijconflicteerde
hijconflicteerde
wijconflicteerden
jullieconflicteerden
zijconflicteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconflicteerd
jijhad geconflicteerd
hijhad geconflicteerd
wijhadden geconflicteerd
julliehadden geconflicteerd
zijhadden geconflicteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal conflicteren
jijzult conflicteren
hijzal conflicteren
wijzullen conflicteren
julliezullen conflicteren
zijzullen conflicteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconflicteerd hebben
jijzult geconflicteerd hebben
hijzal geconflicteerd hebben
wijzullen geconflicteerd hebben
julliezullen geconflicteerd hebben
zijzullen geconflicteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou conflicteren
jijzou conflicteren
hijzou conflicteren
wijzouden conflicteren
julliezouden conflicteren
zijzouden conflicteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconflicteerd hebben
jijzou geconflicteerd hebben
hijzou geconflicteerd hebben
wijzouden geconflicteerd hebben
julliezouden geconflicteerd hebben
zijzouden geconflicteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconflicteer

Translations

  • conflict, be at odds (with)
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information