colporteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of colporteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: colporteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: colporterend
Past participle - Verleden deelwoord: gecolporteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcolporteer
jijcolporteert
hijcolporteert
wijcolporteren
julliecolporteren
zijcolporteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecolporteerd
jijhebt gecolporteerd
hijheeft gecolporteerd
wijhebben gecolporteerd
julliehebben gecolporteerd
zijhebben gecolporteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcolporteerde
jijcolporteerde
hijcolporteerde
wijcolporteerden
julliecolporteerden
zijcolporteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecolporteerd
jijhad gecolporteerd
hijhad gecolporteerd
wijhadden gecolporteerd
julliehadden gecolporteerd
zijhadden gecolporteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal colporteren
jijzult colporteren
hijzal colporteren
wijzullen colporteren
julliezullen colporteren
zijzullen colporteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecolporteerd hebben
jijzult gecolporteerd hebben
hijzal gecolporteerd hebben
wijzullen gecolporteerd hebben
julliezullen gecolporteerd hebben
zijzullen gecolporteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou colporteren
jijzou colporteren
hijzou colporteren
wijzouden colporteren
julliezouden colporteren
zijzouden colporteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecolporteerd hebben
jijzou gecolporteerd hebben
hijzou gecolporteerd hebben
wijzouden gecolporteerd hebben
julliezouden gecolporteerd hebben
zijzouden gecolporteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcolporteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information