concederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of concederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: concederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: concederend
Past participle - Verleden deelwoord: geconcedeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikconcedeer
jijconcedeert
hijconcedeert
wijconcederen
jullieconcederen
zijconcederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geconcedeerd
jijhebt geconcedeerd
hijheeft geconcedeerd
wijhebben geconcedeerd
julliehebben geconcedeerd
zijhebben geconcedeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikconcedeerde
jijconcedeerde
hijconcedeerde
wijconcedeerden
jullieconcedeerden
zijconcedeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geconcedeerd
jijhad geconcedeerd
hijhad geconcedeerd
wijhadden geconcedeerd
julliehadden geconcedeerd
zijhadden geconcedeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal concederen
jijzult concederen
hijzal concederen
wijzullen concederen
julliezullen concederen
zijzullen concederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geconcedeerd hebben
jijzult geconcedeerd hebben
hijzal geconcedeerd hebben
wijzullen geconcedeerd hebben
julliezullen geconcedeerd hebben
zijzullen geconcedeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou concederen
jijzou concederen
hijzou concederen
wijzouden concederen
julliezouden concederen
zijzouden concederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geconcedeerd hebben
jijzou geconcedeerd hebben
hijzou geconcedeerd hebben
wijzouden geconcedeerd hebben
julliezouden geconcedeerd hebben
zijzouden geconcedeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijconcedeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French concéder, from Latin concēdō. See: French 'concéder', Latin 'concēdō'.

Additional Information