cederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of cederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: cederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: cederend
Past participle - Verleden deelwoord: gecedeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcedeer
jijcedeert
hijcedeert
wijcederen
julliecederen
zijcederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecedeerd
jijhebt gecedeerd
hijheeft gecedeerd
wijhebben gecedeerd
julliehebben gecedeerd
zijhebben gecedeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcedeerde
jijcedeerde
hijcedeerde
wijcedeerden
julliecedeerden
zijcedeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecedeerd
jijhad gecedeerd
hijhad gecedeerd
wijhadden gecedeerd
julliehadden gecedeerd
zijhadden gecedeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal cederen
jijzult cederen
hijzal cederen
wijzullen cederen
julliezullen cederen
zijzullen cederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecedeerd hebben
jijzult gecedeerd hebben
hijzal gecedeerd hebben
wijzullen gecedeerd hebben
julliezullen gecedeerd hebben
zijzullen gecedeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou cederen
jijzou cederen
hijzou cederen
wijzouden cederen
julliezouden cederen
zijzouden cederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecedeerd hebben
jijzou gecedeerd hebben
hijzou gecedeerd hebben
wijzouden gecedeerd hebben
julliezouden gecedeerd hebben
zijzouden gecedeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcedeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Uw zorgaanbieder heeft de (para)medische vorderingen […] gecedeerd aan ons. (Your caretaker has ceded the (para)medical claims to us.)

Etymology

Borrowed from French céder. See: French 'céder'.

Additional Information