charmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of charmeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: charmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: charmerend
Past participle - Verleden deelwoord: gecharmeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcharmeer
jijcharmeert
hijcharmeert
wijcharmeren
julliecharmeren
zijcharmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecharmeerd
jijhebt gecharmeerd
hijheeft gecharmeerd
wijhebben gecharmeerd
julliehebben gecharmeerd
zijhebben gecharmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcharmeerde
jijcharmeerde
hijcharmeerde
wijcharmeerden
julliecharmeerden
zijcharmeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecharmeerd
jijhad gecharmeerd
hijhad gecharmeerd
wijhadden gecharmeerd
julliehadden gecharmeerd
zijhadden gecharmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal charmeren
jijzult charmeren
hijzal charmeren
wijzullen charmeren
julliezullen charmeren
zijzullen charmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecharmeerd hebben
jijzult gecharmeerd hebben
hijzal gecharmeerd hebben
wijzullen gecharmeerd hebben
julliezullen gecharmeerd hebben
zijzullen gecharmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou charmeren
jijzou charmeren
hijzou charmeren
wijzouden charmeren
julliezouden charmeren
zijzouden charmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecharmeerd hebben
jijzou gecharmeerd hebben
hijzou gecharmeerd hebben
wijzouden gecharmeerd hebben
julliezouden gecharmeerd hebben
zijzouden gecharmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcharmeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

bekoren
inpalmen, verrukken

Sample Sentences

Etymology

Borrowing from French charmer. See: French 'charmer'.

Additional Information