Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bezorgen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezorgend
Past participle - Verleden deelwoord: bezorgd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | bezorg |
| jij | bezorgt |
| hij | bezorgt |
| wij | bezorgen |
| jullie | bezorgen |
| zij | bezorgen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bezorgd |
| jij | hebt bezorgd |
| hij | heeft bezorgd |
| wij | hebben bezorgd |
| jullie | hebben bezorgd |
| zij | hebben bezorgd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bezorgde |
| jij | bezorgde |
| hij | bezorgde |
| wij | bezorgden |
| jullie | bezorgden |
| zij | bezorgden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bezorgd |
| jij | had bezorgd |
| hij | had bezorgd |
| wij | hadden bezorgd |
| jullie | hadden bezorgd |
| zij | hadden bezorgd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bezorgen |
| jij | zult bezorgen |
| hij | zal bezorgen |
| wij | zullen bezorgen |
| jullie | zullen bezorgen |
| zij | zullen bezorgen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bezorgd hebben |
| jij | zult bezorgd hebben |
| hij | zal bezorgd hebben |
| wij | zullen bezorgd hebben |
| jullie | zullen bezorgd hebben |
| zij | zullen bezorgd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bezorgen |
| jij | zou bezorgen |
| hij | zou bezorgen |
| wij | zouden bezorgen |
| jullie | zouden bezorgen |
| zij | zouden bezorgen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bezorgd hebben |
| jij | zou bezorgd hebben |
| hij | zou bezorgd hebben |
| wij | zouden bezorgd hebben |
| jullie | zouden bezorgd hebben |
| zij | zouden bezorgd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bezorgen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bezorgen'
behoren,
bekoren,
bergen,
bezeren,
bezoeken,
borgen,
verzorgen,
zorgen,
beboeren,
bebouwen,
Translations
Sample Sentences
-
26 October. Bijkans den geheelen dag liep ik het strand langs, om eene plaats te zoeken, waar ik mijn verblijf zou kiezen, vooral bezorgd, om mij voor eenigen nachtelijken overval van menschen of beesten te beveiligen. Tegen den avond koos ik eene geschikte plaats uit, tegen eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] neêrslagtig, dat ik mijne onderneming begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, onuitvoerbaar [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch besorgen, from Old Dutch *bisorgon, from Proto-West Germanic *bisorgōn. Equivalent to be- + zorgen. See: Old Dutch '*bisorgon'.
Verbs referencing "bezorgen"
English
besorrow.
Additional Information