bezorgen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bezorgen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bezorgen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bezorgend
Past participle - Verleden deelwoord: bezorgd

Cognates

See the 3 cognates of bezorgen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbezorg
jijbezorgt
hijbezorgt
wijbezorgen
julliebezorgen
zijbezorgen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bezorgd
jijhebt bezorgd
hijheeft bezorgd
wijhebben bezorgd
julliehebben bezorgd
zijhebben bezorgd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbezorgde
jijbezorgde
hijbezorgde
wijbezorgden
julliebezorgden
zijbezorgden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bezorgd
jijhad bezorgd
hijhad bezorgd
wijhadden bezorgd
julliehadden bezorgd
zijhadden bezorgd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bezorgen
jijzult bezorgen
hijzal bezorgen
wijzullen bezorgen
julliezullen bezorgen
zijzullen bezorgen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bezorgd hebben
jijzult bezorgd hebben
hijzal bezorgd hebben
wijzullen bezorgd hebben
julliezullen bezorgd hebben
zijzullen bezorgd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bezorgen
jijzou bezorgen
hijzou bezorgen
wijzouden bezorgen
julliezouden bezorgen
zijzouden bezorgen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bezorgd hebben
jijzou bezorgd hebben
hijzou bezorgd hebben
wijzouden bezorgd hebben
julliezouden bezorgd hebben
zijzouden bezorgd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbezorg

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aandoen
berokkenen, opleveren, teweegbrengen, veroorzaken
afgeven
afleveren, bestellen, brengen, overhandigen

Antonyms

aandoen
uitdoen, afleggen, uittrekken

Sample Sentences

  • 26 October. Bijkans den geheelen dag liep ik het strand langs, om eene plaats te zoeken, waar ik mijn verblijf zou kiezen, vooral bezorgd, om mij voor eenigen nachtelijken overval van menschen of beesten te beveiligen. Tegen den avond koos ik eene geschikte plaats uit, tegen eene rots aan, en maakte een halven cirkel voor mijn [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] neêrslagtig, dat ik mijne onderneming begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging, zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield, onuitvoerbaar [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch besorgen, from Old Dutch *bisorgon, from Proto-West Germanic *bisorgōn. Equivalent to be- + zorgen. See: Old Dutch '*bisorgon'.

Verbs referencing "bezorgen"

English besorrow.

Additional Information