bekogelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bekogelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bekogelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bekogelend
Past participle - Verleden deelwoord: bekogeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbekogel
jijbekogelt
hijbekogelt
wijbekogelen
julliebekogelen
zijbekogelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bekogeld
jijhebt bekogeld
hijheeft bekogeld
wijhebben bekogeld
julliehebben bekogeld
zijhebben bekogeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbekogelde
jijbekogelde
hijbekogelde
wijbekogelden
julliebekogelden
zijbekogelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bekogeld
jijhad bekogeld
hijhad bekogeld
wijhadden bekogeld
julliehadden bekogeld
zijhadden bekogeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bekogelen
jijzult bekogelen
hijzal bekogelen
wijzullen bekogelen
julliezullen bekogelen
zijzullen bekogelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bekogeld hebben
jijzult bekogeld hebben
hijzal bekogeld hebben
wijzullen bekogeld hebben
julliezullen bekogeld hebben
zijzullen bekogeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bekogelen
jijzou bekogelen
hijzou bekogelen
wijzouden bekogelen
julliezouden bekogelen
zijzouden bekogelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bekogeld hebben
jijzou bekogeld hebben
hijzou bekogeld hebben
wijzouden bekogeld hebben
julliezouden bekogeld hebben
zijzouden bekogeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbekogel

Translations

  • bombard, to attack something or someone by directing objects at them
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From be- + kogelen.

    Additional Information