Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: beklimmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beklimmend
Past participle - Verleden deelwoord: beklommen
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | beklim |
| jij | beklimt |
| hij | beklimt |
| wij | beklimmen |
| jullie | beklimmen |
| zij | beklimmen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb beklommen |
| jij | hebt beklommen |
| hij | heeft beklommen |
| wij | hebben beklommen |
| jullie | hebben beklommen |
| zij | hebben beklommen |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | beklom |
| jij | beklom |
| hij | beklom |
| wij | beklommen |
| jullie | beklommen |
| zij | beklommen |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had beklommen |
| jij | had beklommen |
| hij | had beklommen |
| wij | hadden beklommen |
| jullie | hadden beklommen |
| zij | hadden beklommen |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal beklimmen |
| jij | zult beklimmen |
| hij | zal beklimmen |
| wij | zullen beklimmen |
| jullie | zullen beklimmen |
| zij | zullen beklimmen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal beklommen hebben |
| jij | zult beklommen hebben |
| hij | zal beklommen hebben |
| wij | zullen beklommen hebben |
| jullie | zullen beklommen hebben |
| zij | zullen beklommen hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou beklimmen |
| jij | zou beklimmen |
| hij | zou beklimmen |
| wij | zouden beklimmen |
| jullie | zouden beklimmen |
| zij | zouden beklimmen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou beklommen hebben |
| jij | zou beklommen hebben |
| hij | zou beklommen hebben |
| wij | zouden beklommen hebben |
| jullie | zouden beklommen hebben |
| zij | zouden beklommen hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'beklimmen'
afschrikken,
beginnen,
beklimmen,
glimmen,
klimmen,
ontginnen,
schrikken,
spinnen,
verzinnen,
winnen,
zinnen,
Verbs similar to 'beklimmen'
klimmen,
bekijken,
beklagen,
bekleden,
bekomen,
believen,
belijden,
beslissen,
bestemmen,
glimmen,
Translations
climb, to mount, to move upwards on
mount, to place oneself on a horse, bicycle etc. to ride
ride, to mount someone to have sex with them
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Eenige dagen daarna, en nadat ik aan boord van het schip was geweest, en al wat ik kon er uit gehaald had, kon ik toch niet nalaten een heuvel te beklimmen en in zee te zien, op hoop van een schip te bespeuren, totdat mijne verhitte verbeelding mij een zeil deed zien, dat, nadat mijne oogen schier blind gestaard waren, weder verdween, waarna ik ging [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] in zee gelost werd. Dit was een geheel andere verrassing dan de vroegere, en bragt mij geheel andere denkbeelden in het hoofd. In een oogenblik stond mijne ladder tegen de rots; ik haalde die op, en beklom toen den top; op dat oogenblik deed eene flikkering van vuur mij een tweede schot verwachten, welks geluid ik ook eene halve minuut daarna hoorde, en daaruit vernam, dat het van dien kant van de zee [...]
(Robinson Crusoe)
-
Het was tijd, want weldra kwamen zij met een dof gegrom aanzetten en beklommen onze borstwering, als waren zij zeker van hunnen buit. Het schijnt, dat zij vooral woedend werden door onze paarden achter ons te zien. Ik gelastte, dat men om den anderen man weder zou vuren, en [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch beclimmen. Equivalent to be- + klimmen.
Verbs referencing "beklimmen"
English
beclimb.
Additional Information