bebinden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bebinden

The word "bebinden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bebinden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bebindend
Past participle - Verleden deelwoord: bebind

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbebind
jijbebindt
hijbebindt
wijbebinden
julliebebinden
zijbebinden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bebind
jijhebt bebind
hijheeft bebind
wijhebben bebind
julliehebben bebind
zijhebben bebind

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbebindde
jijbebindde
hijbebindde
wijbebindden
julliebebindden
zijbebindden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bebind
jijhad bebind
hijhad bebind
wijhadden bebind
julliehadden bebind
zijhadden bebind

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bebinden
jijzult bebinden
hijzal bebinden
wijzullen bebinden
julliezullen bebinden
zijzullen bebinden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bebind hebben
jijzult bebind hebben
hijzal bebind hebben
wijzullen bebind hebben
julliezullen bebind hebben
zijzullen bebind hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bebinden
jijzou bebinden
hijzou bebinden
wijzouden bebinden
julliezouden bebinden
zijzouden bebinden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bebind hebben
jijzou bebind hebben
hijzou bebind hebben
wijzouden bebind hebben
julliezouden bebind hebben
zijzouden bebind hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbebind

Verbs similar to 'bebinden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch bebinden, from Old Dutch *bibindan, from Proto-West Germanic *bibindan, from Proto-Germanic *bibindaną. Equivalent to be- + binden. See: Proto-Germanic '*bibindaną'.

Additional Information