kalanderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kalanderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kalanderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kalanderend
Past participle - Verleden deelwoord: gekalanderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkalander
jijkalandert
hijkalandert
wijkalanderen
julliekalanderen
zijkalanderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekalanderd
jijhebt gekalanderd
hijheeft gekalanderd
wijhebben gekalanderd
julliehebben gekalanderd
zijhebben gekalanderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkalanderde
jijkalanderde
hijkalanderde
wijkalanderden
julliekalanderden
zijkalanderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekalanderd
jijhad gekalanderd
hijhad gekalanderd
wijhadden gekalanderd
julliehadden gekalanderd
zijhadden gekalanderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kalanderen
jijzult kalanderen
hijzal kalanderen
wijzullen kalanderen
julliezullen kalanderen
zijzullen kalanderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekalanderd hebben
jijzult gekalanderd hebben
hijzal gekalanderd hebben
wijzullen gekalanderd hebben
julliezullen gekalanderd hebben
zijzullen gekalanderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kalanderen
jijzou kalanderen
hijzou kalanderen
wijzouden kalanderen
julliezouden kalanderen
zijzouden kalanderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekalanderd hebben
jijzou gekalanderd hebben
hijzou gekalanderd hebben
wijzouden gekalanderd hebben
julliezouden gekalanderd hebben
zijzouden gekalanderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkalander

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information