zolderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zolderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zolderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zolderend
Past participle - Verleden deelwoord: gezolderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzolder
jijzoldert
hijzoldert
wijzolderen
julliezolderen
zijzolderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezolderd
jijhebt gezolderd
hijheeft gezolderd
wijhebben gezolderd
julliehebben gezolderd
zijhebben gezolderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzolderde
jijzolderde
hijzolderde
wijzolderden
julliezolderden
zijzolderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezolderd
jijhad gezolderd
hijhad gezolderd
wijhadden gezolderd
julliehadden gezolderd
zijhadden gezolderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zolderen
jijzult zolderen
hijzal zolderen
wijzullen zolderen
julliezullen zolderen
zijzullen zolderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezolderd hebben
jijzult gezolderd hebben
hijzal gezolderd hebben
wijzullen gezolderd hebben
julliezullen gezolderd hebben
zijzullen gezolderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zolderen
jijzou zolderen
hijzou zolderen
wijzouden zolderen
julliezouden zolderen
zijzouden zolderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezolderd hebben
jijzou gezolderd hebben
hijzou gezolderd hebben
wijzouden gezolderd hebben
julliezouden gezolderd hebben
zijzouden gezolderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzolder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information