zoenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zoenen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zoenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zoenend
Past participle - Verleden deelwoord: gezoend

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzoen
jijzoent
hijzoent
wijzoenen
julliezoenen
zijzoenen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezoend
jijhebt gezoend
hijheeft gezoend
wijhebben gezoend
julliehebben gezoend
zijhebben gezoend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzoende
jijzoende
hijzoende
wijzoenden
julliezoenden
zijzoenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezoend
jijhad gezoend
hijhad gezoend
wijhadden gezoend
julliehadden gezoend
zijhadden gezoend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zoenen
jijzult zoenen
hijzal zoenen
wijzullen zoenen
julliezullen zoenen
zijzullen zoenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezoend hebben
jijzult gezoend hebben
hijzal gezoend hebben
wijzullen gezoend hebben
julliezullen gezoend hebben
zijzullen gezoend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zoenen
jijzou zoenen
hijzou zoenen
wijzouden zoenen
julliezouden zoenen
zijzouden zoenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezoend hebben
jijzou gezoend hebben
hijzou gezoend hebben
wijzouden gezoend hebben
julliezouden gezoend hebben
zijzouden gezoend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzoen

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

knuffelen
kussen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch soenen. Equivalent to zoen + -en.

Verbs referencing "zoenen"

Afrikaans soen.

Additional Information