Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: vorderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vorderend
Past participle - Verleden deelwoord: gevorderd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | vorder |
| jij | vordert |
| hij | vordert |
| wij | vorderen |
| jullie | vorderen |
| zij | vorderen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gevorderd |
| jij | hebt gevorderd |
| hij | heeft gevorderd |
| wij | hebben gevorderd |
| jullie | hebben gevorderd |
| zij | hebben gevorderd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | vorderde |
| jij | vorderde |
| hij | vorderde |
| wij | vorderden |
| jullie | vorderden |
| zij | vorderden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gevorderd |
| jij | had gevorderd |
| hij | had gevorderd |
| wij | hadden gevorderd |
| jullie | hadden gevorderd |
| zij | hadden gevorderd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal vorderen |
| jij | zult vorderen |
| hij | zal vorderen |
| wij | zullen vorderen |
| jullie | zullen vorderen |
| zij | zullen vorderen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gevorderd hebben |
| jij | zult gevorderd hebben |
| hij | zal gevorderd hebben |
| wij | zullen gevorderd hebben |
| jullie | zullen gevorderd hebben |
| zij | zullen gevorderd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou vorderen |
| jij | zou vorderen |
| hij | zou vorderen |
| wij | zouden vorderen |
| jullie | zouden vorderen |
| zij | zouden vorderen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gevorderd hebben |
| jij | zou gevorderd hebben |
| hij | zou gevorderd hebben |
| wij | zouden gevorderd hebben |
| jullie | zouden gevorderd hebben |
| zij | zouden gevorderd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'vorderen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'vorderen'
voederen,
aborderen,
afvorderen,
bevorderen,
bolderen,
bouderen,
coderen,
donderen,
forceren,
formeren,
Translations
Sample Sentences
-
Den zesden dag onzer reis kwamen wij op de reede van Yarmouth, daar de tegenwinden en windstilten ons niet veel hadden doen vorderen, sedert den storm. Wij waren verpligt op deze reede te ankeren, omdat de wind voor ons ongunstig was, dat wil zeggen, dat hij Z.W. bleef, gedurende zeven of acht dagen. Verscheidene groote schepen [...]
(Robinson Crusoe)
-
Toen ik met mijne heining ongeveer vijftig ellen gevorderd was, kwam dat denkbeeld het eerst bij mij op en deed mij dadelijk mijn werk staken. Ik besloot daarop vooreerst een stuk af te perken van honderd en vijftig el lang, en honderd el breed, hetwelk [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] en tot eene beoordeeling, als het ware van het regtvaardige eener zoodanige beschikking, die sommigen het licht onthouden, en het aan anderen geschonken had, en toch van allen gelijke pligten vorderde. Maar ik bedwong ten laatste mijne overwegingen door de bedenking, dat ik niet wist naar welken maatstaf zijlieden geoordeeld zouden worden; maar dat, daar God noodwendig en door de natuur van zijn [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] het mijne op dit eiland eenige schade toebrengen, en middelerwijl mijne bevelen gehoorzamen. " Ten tweede, dat als het schip hernomen mogt worden, gij mij en mijne goederen, zonder passagegeld te vorderen, naar Engeland zult medenemen. "
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch vorderen, from Old Dutch fortheron, from Proto-Germanic *furþerōną. See: Old Dutch 'fortheron'.
Additional Information