Infinitive - Onbepaalde wijs: afvorderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afvorderend
Past participle - Verleden deelwoord: afgevordeerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | vordeer af |
| jij | vordeert af |
| hij | vordeert af |
| wij | vorderen af |
| jullie | vorderen af |
| zij | vorderen af |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb afgevordeerd |
| jij | hebt afgevordeerd |
| hij | heeft afgevordeerd |
| wij | hebben afgevordeerd |
| jullie | hebben afgevordeerd |
| zij | hebben afgevordeerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | vordeerde af |
| jij | vordeerde af |
| hij | vordeerde af |
| wij | vordeerden af |
| jullie | vordeerden af |
| zij | vordeerden af |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had afgevordeerd |
| jij | had afgevordeerd |
| hij | had afgevordeerd |
| wij | hadden afgevordeerd |
| jullie | hadden afgevordeerd |
| zij | hadden afgevordeerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal afvorderen |
| jij | zult afvorderen |
| hij | zal afvorderen |
| wij | zullen afvorderen |
| jullie | zullen afvorderen |
| zij | zullen afvorderen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal afgevordeerd hebben |
| jij | zult afgevordeerd hebben |
| hij | zal afgevordeerd hebben |
| wij | zullen afgevordeerd hebben |
| jullie | zullen afgevordeerd hebben |
| zij | zullen afgevordeerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou afvorderen |
| jij | zou afvorderen |
| hij | zou afvorderen |
| wij | zouden afvorderen |
| jullie | zouden afvorderen |
| zij | zouden afvorderen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou afgevordeerd hebben |
| jij | zou afgevordeerd hebben |
| hij | zou afgevordeerd hebben |
| wij | zouden afgevordeerd hebben |
| jullie | zouden afgevordeerd hebben |
| zij | zouden afgevordeerd hebben |
| jij | vordeer af |