volmaken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of volmaken

The word "volmaken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: volmaken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: volmakend
Past participle - Verleden deelwoord: volmaakt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvolmaak
jijvolmaakt
hijvolmaakt
wijvolmaken
jullievolmaken
zijvolmaken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb volmaakt
jijhebt volmaakt
hijheeft volmaakt
wijhebben volmaakt
julliehebben volmaakt
zijhebben volmaakt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvolmaakte
jijvolmaakte
hijvolmaakte
wijvolmaakten
jullievolmaakten
zijvolmaakten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad volmaakt
jijhad volmaakt
hijhad volmaakt
wijhadden volmaakt
julliehadden volmaakt
zijhadden volmaakt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal volmaken
jijzult volmaken
hijzal volmaken
wijzullen volmaken
julliezullen volmaken
zijzullen volmaken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal volmaakt hebben
jijzult volmaakt hebben
hijzal volmaakt hebben
wijzullen volmaakt hebben
julliezullen volmaakt hebben
zijzullen volmaakt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou volmaken
jijzou volmaken
hijzou volmaken
wijzouden volmaken
julliezouden volmaken
zijzouden volmaken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou volmaakt hebben
jijzou volmaakt hebben
hijzou volmaakt hebben
wijzouden volmaakt hebben
julliezouden volmaakt hebben
zijzouden volmaakt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvolmaak

Verbs similar to 'volmaken'

Translations

  • complement, to complete
  • complete, to complete
  • finish, to complete
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From vol + maken.

    Additional Information