voederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voederen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voederend
Past participle - Verleden deelwoord: gevoederd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoeder
jijvoedert
hijvoedert
wijvoederen
jullievoederen
zijvoederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gevoederd
jijhebt gevoederd
hijheeft gevoederd
wijhebben gevoederd
julliehebben gevoederd
zijhebben gevoederd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoederde
jijvoederde
hijvoederde
wijvoederden
jullievoederden
zijvoederden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gevoederd
jijhad gevoederd
hijhad gevoederd
wijhadden gevoederd
julliehadden gevoederd
zijhadden gevoederd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voederen
jijzult voederen
hijzal voederen
wijzullen voederen
julliezullen voederen
zijzullen voederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gevoederd hebben
jijzult gevoederd hebben
hijzal gevoederd hebben
wijzullen gevoederd hebben
julliezullen gevoederd hebben
zijzullen gevoederd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voederen
jijzou voederen
hijzou voederen
wijzouden voederen
julliezouden voederen
zijzouden voederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gevoederd hebben
jijzou gevoederd hebben
hijzou gevoederd hebben
wijzouden gevoederd hebben
julliezouden gevoederd hebben
zijzouden gevoederd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoeder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] en heesters af en wierp haar die toe, en nadat zij gegeten had, wilde ik haar met een touw wegleiden; maar de honger had haar zoo tam gemaakt, dat zij mij volgde als een hond; en daar ik het altijd voederde, werd het zoo mak en vrolijk en aan mij gehecht, dat het ook tot mijne huisdieren behoorde, en mij naderhand nimmer verliet. (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch foederen, from Old Dutch fuodaren, from Proto-West Germanic *fōdrijan; compare German füttern. By surface analysis, voeder + -en; alternatively See: German, old spelling 'füttern'.

Verbs referencing "voederen"

German, Pennsylvania fiedre.

Additional Information