versieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of versieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: versieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: versierend
Past participle - Verleden deelwoord: versierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikversier
jijversiert
hijversiert
wijversieren
jullieversieren
zijversieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb versierd
jijhebt versierd
hijheeft versierd
wijhebben versierd
julliehebben versierd
zijhebben versierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikversierde
jijversierde
hijversierde
wijversierden
jullieversierden
zijversierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad versierd
jijhad versierd
hijhad versierd
wijhadden versierd
julliehadden versierd
zijhadden versierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal versieren
jijzult versieren
hijzal versieren
wijzullen versieren
julliezullen versieren
zijzullen versieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal versierd hebben
jijzult versierd hebben
hijzal versierd hebben
wijzullen versierd hebben
julliezullen versierd hebben
zijzullen versierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou versieren
jijzou versieren
hijzou versieren
wijzouden versieren
julliezouden versieren
zijzouden versieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou versierd hebben
jijzou versierd hebben
hijzou versierd hebben
wijzouden versierd hebben
julliezouden versierd hebben
zijzouden versierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijversier

Translations

  • fawn, to seek favour by flattery
  • seduce, to entice or induce someone to engage in a sexual relationship
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    decoreren
    garneren, verfraaien
    organiseren
    regelen, ritselen

    Sample Sentences

    Etymology

    From ver- + sieren.

    Additional Information