verpieteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verpieteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verpieteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verpieterend
Past participle - Verleden deelwoord: verpieterd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverpieter
jijverpietert
hijverpietert
wijverpieteren
jullieverpieteren
zijverpieteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verpieterd
jijhebt verpieterd
hijheeft verpieterd
wijhebben verpieterd
julliehebben verpieterd
zijhebben verpieterd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverpieterde
jijverpieterde
hijverpieterde
wijverpieterden
jullieverpieterden
zijverpieterden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verpieterd
jijhad verpieterd
hijhad verpieterd
wijhadden verpieterd
julliehadden verpieterd
zijhadden verpieterd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verpieteren
jijzult verpieteren
hijzal verpieteren
wijzullen verpieteren
julliezullen verpieteren
zijzullen verpieteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verpieterd hebben
jijzult verpieterd hebben
hijzal verpieterd hebben
wijzullen verpieterd hebben
julliezullen verpieterd hebben
zijzullen verpieterd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verpieteren
jijzou verpieteren
hijzou verpieteren
wijzouden verpieteren
julliezouden verpieteren
zijzouden verpieteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verpieterd hebben
jijzou verpieterd hebben
hijzou verpieterd hebben
wijzouden verpieterd hebben
julliezouden verpieterd hebben
zijzouden verpieterd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverpieter

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information