meriteren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of meriteren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: meriteren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: meriterend
Past participle - Verleden deelwoord: gemeriteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmeriteer
jijmeriteert
hijmeriteert
wijmeriteren
julliemeriteren
zijmeriteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemeriteerd
jijhebt gemeriteerd
hijheeft gemeriteerd
wijhebben gemeriteerd
julliehebben gemeriteerd
zijhebben gemeriteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmeriteerde
jijmeriteerde
hijmeriteerde
wijmeriteerden
julliemeriteerden
zijmeriteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemeriteerd
jijhad gemeriteerd
hijhad gemeriteerd
wijhadden gemeriteerd
julliehadden gemeriteerd
zijhadden gemeriteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal meriteren
jijzult meriteren
hijzal meriteren
wijzullen meriteren
julliezullen meriteren
zijzullen meriteren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemeriteerd hebben
jijzult gemeriteerd hebben
hijzal gemeriteerd hebben
wijzullen gemeriteerd hebben
julliezullen gemeriteerd hebben
zijzullen gemeriteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou meriteren
jijzou meriteren
hijzou meriteren
wijzouden meriteren
julliezouden meriteren
zijzouden meriteren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemeriteerd hebben
jijzou gemeriteerd hebben
hijzou gemeriteerd hebben
wijzouden gemeriteerd hebben
julliezouden gemeriteerd hebben
zijzouden gemeriteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmeriteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information