vernevelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of vernevelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: vernevelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: vernevelend
Past participle - Verleden deelwoord: verneveld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvernevel
jijvernevelt
hijvernevelt
wijvernevelen
jullievernevelen
zijvernevelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verneveld
jijhebt verneveld
hijheeft verneveld
wijhebben verneveld
julliehebben verneveld
zijhebben verneveld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvernevelde
jijvernevelde
hijvernevelde
wijvernevelden
jullievernevelden
zijvernevelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verneveld
jijhad verneveld
hijhad verneveld
wijhadden verneveld
julliehadden verneveld
zijhadden verneveld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal vernevelen
jijzult vernevelen
hijzal vernevelen
wijzullen vernevelen
julliezullen vernevelen
zijzullen vernevelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verneveld hebben
jijzult verneveld hebben
hijzal verneveld hebben
wijzullen verneveld hebben
julliezullen verneveld hebben
zijzullen verneveld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou vernevelen
jijzou vernevelen
hijzou vernevelen
wijzouden vernevelen
julliezouden vernevelen
zijzouden vernevelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verneveld hebben
jijzou verneveld hebben
hijzou verneveld hebben
wijzouden verneveld hebben
julliezouden verneveld hebben
zijzouden verneveld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvernevel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From nevel + ver- -en.

Additional Information