verkavelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verkavelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verkavelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verkavelend
Past participle - Verleden deelwoord: verkaveld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverkavel
jijverkavelt
hijverkavelt
wijverkavelen
jullieverkavelen
zijverkavelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verkaveld
jijhebt verkaveld
hijheeft verkaveld
wijhebben verkaveld
julliehebben verkaveld
zijhebben verkaveld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverkavelde
jijverkavelde
hijverkavelde
wijverkavelden
jullieverkavelden
zijverkavelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verkaveld
jijhad verkaveld
hijhad verkaveld
wijhadden verkaveld
julliehadden verkaveld
zijhadden verkaveld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verkavelen
jijzult verkavelen
hijzal verkavelen
wijzullen verkavelen
julliezullen verkavelen
zijzullen verkavelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verkaveld hebben
jijzult verkaveld hebben
hijzal verkaveld hebben
wijzullen verkaveld hebben
julliezullen verkaveld hebben
zijzullen verkaveld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verkavelen
jijzou verkavelen
hijzou verkavelen
wijzouden verkavelen
julliezouden verkavelen
zijzouden verkavelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verkaveld hebben
jijzou verkaveld hebben
hijzou verkaveld hebben
wijzouden verkaveld hebben
julliezouden verkaveld hebben
zijzouden verkaveld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverkavel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From ver- + kavelen, or kavel + ver- -en.

Additional Information