uitkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitkerend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgekeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkeer uit
jijkeert uit
hijkeert uit
wijkeren uit
julliekeren uit
zijkeren uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgekeerd
jijhebt uitgekeerd
hijheeft uitgekeerd
wijhebben uitgekeerd
julliehebben uitgekeerd
zijhebben uitgekeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkeerde uit
jijkeerde uit
hijkeerde uit
wijkeerden uit
julliekeerden uit
zijkeerden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgekeerd
jijhad uitgekeerd
hijhad uitgekeerd
wijhadden uitgekeerd
julliehadden uitgekeerd
zijhadden uitgekeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitkeren
jijzult uitkeren
hijzal uitkeren
wijzullen uitkeren
julliezullen uitkeren
zijzullen uitkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgekeerd hebben
jijzult uitgekeerd hebben
hijzal uitgekeerd hebben
wijzullen uitgekeerd hebben
julliezullen uitgekeerd hebben
zijzullen uitgekeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitkeren
jijzou uitkeren
hijzou uitkeren
wijzouden uitkeren
julliezouden uitkeren
zijzouden uitkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgekeerd hebben
jijzou uitgekeerd hebben
hijzou uitgekeerd hebben
wijzouden uitgekeerd hebben
julliezouden uitgekeerd hebben
zijzouden uitgekeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkeer uit

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

betalen
uitbetalen

Sample Sentences

Etymology

From uit (“out”) + keren (“to turn”).

Additional Information