uitduiden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitduiden

The word "uitduiden" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitduiden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitduidend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgeduid

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikduid uit
jijduidt uit
hijduidt uit
wijduiden uit
jullieduiden uit
zijduiden uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgeduid
jijhebt uitgeduid
hijheeft uitgeduid
wijhebben uitgeduid
julliehebben uitgeduid
zijhebben uitgeduid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikduidde uit
jijduidde uit
hijduidde uit
wijduidden uit
jullieduidden uit
zijduidden uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgeduid
jijhad uitgeduid
hijhad uitgeduid
wijhadden uitgeduid
julliehadden uitgeduid
zijhadden uitgeduid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitduiden
jijzult uitduiden
hijzal uitduiden
wijzullen uitduiden
julliezullen uitduiden
zijzullen uitduiden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgeduid hebben
jijzult uitgeduid hebben
hijzal uitgeduid hebben
wijzullen uitgeduid hebben
julliezullen uitgeduid hebben
zijzullen uitgeduid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitduiden
jijzou uitduiden
hijzou uitduiden
wijzouden uitduiden
julliezouden uitduiden
zijzouden uitduiden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgeduid hebben
jijzou uitgeduid hebben
hijzou uitgeduid hebben
wijzouden uitgeduid hebben
julliezouden uitgeduid hebben
zijzouden uitgeduid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijduid uit

Verbs similar to 'uitduiden'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information