tekenen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of tekenen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: tekenen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: tekenend
Past participle - Verleden deelwoord: getekend

Cognates

See the 4 cognates of tekenen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikteken
jijtekent
hijtekent
wijtekenen
jullietekenen
zijtekenen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getekend
jijhebt getekend
hijheeft getekend
wijhebben getekend
julliehebben getekend
zijhebben getekend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktekende
jijtekende
hijtekende
wijtekenden
jullietekenden
zijtekenden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getekend
jijhad getekend
hijhad getekend
wijhadden getekend
julliehadden getekend
zijhadden getekend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal tekenen
jijzult tekenen
hijzal tekenen
wijzullen tekenen
julliezullen tekenen
zijzullen tekenen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getekend hebben
jijzult getekend hebben
hijzal getekend hebben
wijzullen getekend hebben
julliezullen getekend hebben
zijzullen getekend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou tekenen
jijzou tekenen
hijzou tekenen
wijzouden tekenen
julliezouden tekenen
zijzouden tekenen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getekend hebben
jijzou getekend hebben
hijzou getekend hebben
wijzouden getekend hebben
julliezouden getekend hebben
zijzouden getekend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijteken

Translations

  • draw, to produce a picture
  • line, to mark with a line
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    ondertekenen
    signeren
    afbeelden
    schetsen, uittekenen
    beschrijven
    karakteriseren, schilderen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch têkenen, from Old Dutch *tēkanen, from Proto-Germanic *taiknijaną. Equivalent to teken (“sign, signal”) + -en. See: Proto-Germanic '*taiknijaną'.

    Verbs referencing "tekenen"

    Afrikaans teken, Luxembourgish zeechnen, Danish tegne.

    Additional Information