stillen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stillen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stillen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stillend
Past participle - Verleden deelwoord: gestild

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstil
jijstilt
hijstilt
wijstillen
julliestillen
zijstillen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestild
jijhebt gestild
hijheeft gestild
wijhebben gestild
julliehebben gestild
zijhebben gestild

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstilde
jijstilde
hijstilde
wijstilden
julliestilden
zijstilden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestild
jijhad gestild
hijhad gestild
wijhadden gestild
julliehadden gestild
zijhadden gestild

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stillen
jijzult stillen
hijzal stillen
wijzullen stillen
julliezullen stillen
zijzullen stillen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestild hebben
jijzult gestild hebben
hijzal gestild hebben
wijzullen gestild hebben
julliezullen gestild hebben
zijzullen gestild hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stillen
jijzou stillen
hijzou stillen
wijzouden stillen
julliezouden stillen
zijzouden stillen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestild hebben
jijzou gestild hebben
hijzou gestild hebben
wijzouden gestild hebben
julliezouden gestild hebben
zijzouden gestild hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstil

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

laven
drenken, lessen, verfrissen, verkwikken
lessen
bevredigen, verzadigen

Sample Sentences

Etymology

From stil + -en.

Verbs referencing "stillen"

German, Pennsylvania schtille.

Additional Information