snoeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of snoeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: snoeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: snoerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesnoerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksnoer
jijsnoert
hijsnoert
wijsnoeren
julliesnoeren
zijsnoeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesnoerd
jijhebt gesnoerd
hijheeft gesnoerd
wijhebben gesnoerd
julliehebben gesnoerd
zijhebben gesnoerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksnoerde
jijsnoerde
hijsnoerde
wijsnoerden
julliesnoerden
zijsnoerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesnoerd
jijhad gesnoerd
hijhad gesnoerd
wijhadden gesnoerd
julliehadden gesnoerd
zijhadden gesnoerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal snoeren
jijzult snoeren
hijzal snoeren
wijzullen snoeren
julliezullen snoeren
zijzullen snoeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesnoerd hebben
jijzult gesnoerd hebben
hijzal gesnoerd hebben
wijzullen gesnoerd hebben
julliezullen gesnoerd hebben
zijzullen gesnoerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou snoeren
jijzou snoeren
hijzou snoeren
wijzouden snoeren
julliezouden snoeren
zijzouden snoeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesnoerd hebben
jijzou gesnoerd hebben
hijzou gesnoerd hebben
wijzouden gesnoerd hebben
julliezouden gesnoerd hebben
zijzouden gesnoerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsnoer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch snoeren, from Old Dutch *snuoren, from Proto-West Germanic *snōrijan, from Proto-Germanic *snōrijaną. By surface analysis, snoer (“cord”) + -en. See: Proto-Germanic '*snōrijaną'.

Additional Information