Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: sneeuwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sneeuwend
Past participle - Verleden deelwoord: gesneeuwd
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'sneeuwen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'sneeuwen'
geeuwen,
neuken,
scheuren,
schreeuwen,
snellen,
sneren,
snieren,
snoeien,
snoeren,
steunen,
Translations
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Wij werden wel eenigzins ongerust, toen het vier-en-twintig uren achtereen zoo hevig sneeuwde, dat wij stil moesten houden, doch hij stelde ons gerust en verzekerde, dat wij spoedig alles te boven zouden zijn. Inderdaad vonden wij elken dag, dat wij afdaalden, en dus trokken wij, in [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch sneuwen, sneeuwen, equivalent to sneeuw + -en. Displaced Middle Dutch snuwen due to analogy with regenen and hagelen.
Additional Information