sneeuwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sneeuwen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sneeuwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sneeuwend
Past participle - Verleden deelwoord: gesneeuwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

hijsneeuwt

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

hijheeft gesneeuwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

hijsneeuwde

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

hijhad gesneeuwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

hijzal sneeuwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

hijzal gesneeuwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

hijzou sneeuwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

hijzou gesneeuwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Wij werden wel eenigzins ongerust, toen het vier-en-twintig uren achtereen zoo hevig sneeuwde, dat wij stil moesten houden, doch hij stelde ons gerust en verzekerde, dat wij spoedig alles te boven zouden zijn. Inderdaad vonden wij elken dag, dat wij afdaalden, en dus trokken wij, in [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch sneuwen, sneeuwen, equivalent to sneeuw + -en. Displaced Middle Dutch snuwen due to analogy with regenen and hagelen.

Additional Information