simuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of simuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: simuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: simulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gesimuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksimuleer
jijsimuleert
hijsimuleert
wijsimuleren
julliesimuleren
zijsimuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesimuleerd
jijhebt gesimuleerd
hijheeft gesimuleerd
wijhebben gesimuleerd
julliehebben gesimuleerd
zijhebben gesimuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksimuleerde
jijsimuleerde
hijsimuleerde
wijsimuleerden
julliesimuleerden
zijsimuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesimuleerd
jijhad gesimuleerd
hijhad gesimuleerd
wijhadden gesimuleerd
julliehadden gesimuleerd
zijhadden gesimuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal simuleren
jijzult simuleren
hijzal simuleren
wijzullen simuleren
julliezullen simuleren
zijzullen simuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesimuleerd hebben
jijzult gesimuleerd hebben
hijzal gesimuleerd hebben
wijzullen gesimuleerd hebben
julliezullen gesimuleerd hebben
zijzullen gesimuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou simuleren
jijzou simuleren
hijzou simuleren
wijzouden simuleren
julliezouden simuleren
zijzouden simuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesimuleerd hebben
jijzou gesimuleerd hebben
hijzou gesimuleerd hebben
wijzouden gesimuleerd hebben
julliezouden gesimuleerd hebben
zijzouden gesimuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsimuleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information