schudden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schudden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schudden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schuddend
Past participle - Verleden deelwoord: geschud

Cognates

See the 4 cognates of schudden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschud
jijschudt
hijschudt
wijschudden
jullieschudden
zijschudden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschud
jijhebt geschud
hijheeft geschud
wijhebben geschud
julliehebben geschud
zijhebben geschud

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschudde
jijschudde
hijschudde
wijschudden
jullieschudden
zijschudden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschud
jijhad geschud
hijhad geschud
wijhadden geschud
julliehadden geschud
zijhadden geschud

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schudden
jijzult schudden
hijzal schudden
wijzullen schudden
julliezullen schudden
zijzullen schudden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschud hebben
jijzult geschud hebben
hijzal geschud hebben
wijzullen geschud hebben
julliezullen geschud hebben
zijzullen geschud hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schudden
jijzou schudden
hijzou schudden
wijzouden schudden
julliezouden schudden
zijzouden schudden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschud hebben
jijzou geschud hebben
hijzou geschud hebben
wijzouden geschud hebben
julliezouden geschud hebben
zijzouden geschud hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschud

Verbs conjugated like 'schudden'

afschudden, kladden, modden, redden, schudden, wedden,

Translations

  • churn, tumble
  • churn, figuratively: produce excessive motion
  • concuss, injure the brain
  • cut, to divide a pack of playing cards
  • rock, cause to shake or sway violently
  • shake, transitive: to cause to move
  • shuffle, to put in a random order
  • tumble, tumble
  • waver, to shake or tremble
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    husselen
    hutselen, opschudden
    wankelen
    wiebelen, zwaaien
    beven
    trillen

    Sample Sentences

    • [...] hadden de ratten opgegeten, en ik zag niets in den zak dan stof en vuilnis, en daar ik het zakje wilde gebruiken (ik denk om kruid in te doen, dat ik toen verdeelde, uit vrees voor den bliksem ) schudde ik den zak uit, aan de eene zijde van mijne schans onder de rots. (Robinson Crusoe)
    • [...] uit vrees, dat de stukken rots op mijn hoofd mogten vallen. Naauwelijks was ik op vasten grond, of ik zag duidelijk, dat het eene verschrikkelijke aardbeving was, want de grond, waarop ik stond, schudde driemaal, ongeveer acht minuten na elkander, zoo hevig, dat de sterkste gebouwen er door hadden moeten instorten, en een top van eene rots, die een halfuur van mij af, digt aan zee stond, viel met [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] O hoe blijd zou ik weer bij mijn volk zijn."—"Wat zoudt gij daar doen, " zeide ik, " zoudt gij weder een wilde worden, gelijk te voren, en menschenvleesch eten ? " — Hij zette een ernstig gelaat en schudde het hoofd, zeggende: " Neen, Vrijdag zou hun zeggen braaf te leven, hun zeggen God te bidden, hun zeggen brood te bakken, vleesch van dieren te eten, melk te drinken, geen menschenvleesch [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] dat het mij eenigen tijd niet van het hart kon hem te roepen, maar eindelijk deed ik het, en hij kwam lagchende en dansende naar mij toe. Ik vroeg hem of hij zijn vader wat brood had gegeven. Hij schudde het hoofd, en zeide: " Neen, ik slechte kerel, alles opgegeten heb. " Ik gaf hem dus een stuk, dat ik nog in mijn zak had, voor zijn vader en een slok rum voor hem, maar hij wilde het niet drinken [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] den boom gekomen, en de beer was er halverwege op. Zoodra Vrijdag zag, dat hij het einde van den tak naderde, riep hij ons toe: " Nu zult gij een beer zien leeren dansen. " Hij begon dus den tak te schudden en er op te dansen, zoodat de beer begon te waggelen en achterom keek, alsof hij den aftogt wilde slaan, en wij ons van lagchen niet konden bedwingen. Maar Vrijdag had nog niet met hem gedaan; toen [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch schudden, from Old Dutch scudden, from Proto-West Germanic *skuddjan. Cognate with German schütten (“to pour”) and the iterative schütteln (“to shake”). See: German, old spelling 'schütten'.

    Verbs referencing "schudden"

    English shudder, German, old spelling schütten, Luxembourgish schëdden.

    Additional Information