Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: schuimen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schuimend
Past participle - Verleden deelwoord: geschuimd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | schuim |
| jij | schuimt |
| hij | schuimt |
| wij | schuimen |
| jullie | schuimen |
| zij | schuimen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geschuimd |
| jij | hebt geschuimd |
| hij | heeft geschuimd |
| wij | hebben geschuimd |
| jullie | hebben geschuimd |
| zij | hebben geschuimd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | schuimde |
| jij | schuimde |
| hij | schuimde |
| wij | schuimden |
| jullie | schuimden |
| zij | schuimden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geschuimd |
| jij | had geschuimd |
| hij | had geschuimd |
| wij | hadden geschuimd |
| jullie | hadden geschuimd |
| zij | hadden geschuimd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal schuimen |
| jij | zult schuimen |
| hij | zal schuimen |
| wij | zullen schuimen |
| jullie | zullen schuimen |
| zij | zullen schuimen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geschuimd hebben |
| jij | zult geschuimd hebben |
| hij | zal geschuimd hebben |
| wij | zullen geschuimd hebben |
| jullie | zullen geschuimd hebben |
| zij | zullen geschuimd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou schuimen |
| jij | zou schuimen |
| hij | zou schuimen |
| wij | zouden schuimen |
| jullie | zouden schuimen |
| zij | zouden schuimen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geschuimd hebben |
| jij | zou geschuimd hebben |
| hij | zou geschuimd hebben |
| wij | zouden geschuimd hebben |
| jullie | zouden geschuimd hebben |
| zij | zouden geschuimd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'schuimen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'schuimen'
schuilen,
schuiven,
schamen,
scheiden,
schudden,
schuieren,
afhuilen,
afschuiven,
huilen,
opruimen,
Translations
foam, form or emit foam
froth, To create froth
froth, To bubble
seethe, to foam in an agitated manner, as if boiling
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- mousseren
- bruisen
Sample Sentences
-
Herhaaldelijk verhit frituurvet wordt donkerder van kleur, stroperig, het gaat schuimen en ruikt onaangenaam. (Repeatedly heated frying oil gets a darker colour, becomes viscid, starts to foam and smells unpleasantly.) [1990, Vreni de Jong-Müggler, Irmela Kelling, Gezond lekker eten: kookboek voor volwaardige voeding, Uitgeverij Christofoor, section 45:]
-
Onze mannen van wetenschap schuimden en bouwden, schuimden de taal van overbodige bastaardwoorden, bouwden ze tot een edel organisme, dat de diepste gedachten en fijnste gemoedsschakeringen kon verklanken. (Our men of science took away and built, they removed unnecessary bastardized words from the language, built them into a noble organism, that could express the most profound thoughts and most delicate shades of mood into sounds.) [1944, Andries Anton Verdenius, In de Nederlandse taaltuin: wandelingen en waarnemingen, Elsevier, section 110:]
-
1667, Gillis Joosten Saagman, De Groote Spaenſche Tiranye of het Cleine Martelaers-Boeck, publ. Gillis Joosten Saagman, 2.
-
Hier tegen ſtelde ſich op, een hoofdelooſe hoop, ſonder gelt; ſonder landt, ſonder Steden, ſonder Vaſtigheden, ſonder voorraet, ſonder beleyt, en die alleene, uyt luſt tot weer-wraeck, een Mugge tegen een Oliphant, op Zee ſwierven en moeſkopten, en die nergens een vaſte haven hadden, daer inſe ſich dorſten bergen, maer ſwevende dan Ooſt dan Weſt, al te mets een Spaenſche viſch van de Zee ſchuymden, daer ſy zich ter noordt, meede behielpen. ((please add an English translation of this quotation))
-
1844, J. Krabbendam Rz., Claes Compaen, of Schetsen uit het leven van een Hollandschen Zeerover, volume 1, publ. C. Bakker Bz., 154.
-
Maar zeeroovers van alle natiën schuimden hier, en zwierven op deze zeeën en zij, die uit de Havahna, van Jamaica, Sint Domingo of van de verder afgelegen Baai van Campeche kwamen, schroomden altijd deze verradelijke eilanden. (But pirates from all nations plundered in this area, and roamed these seas and those, who cam from the Hava(h)na, from Jamaica, Saint Domingo or the more distant Bay of Campeche always feared these treacherous islands.)
-
Het huis van oma Griet, en dan vooral boven, zat vol nieuwe en spannende dingen, uren kon M in de kasten ‘schuim’n’, zoals oma Griet het noemde. (Granny Griet's house, and particularly the parts upstairs, were full of new and exciting things, M could rummage in the closets for hours, as granny Griet called it.) [2015, Margriet van der Linden, De liefde niet, Querido:]
-
2005, Jaap ter Haar, Geschiedenis van de Lage Landen. Op de drempel van een nieuwe tijd, Ten Have, reprint, original from 1971.
-
Oostenrijkse deserteurs banjeren plunderend langs de wegen. Troepen werkelozen, behoeftigen en vagebonden schuimen bedelend over straat: 'Een aalmoes!' Jankend knielen ze in de modder neer en heffen dan smekend een hand op. (Austrian deserters meandered over the roads while plundering. Hordes of the unemployed, the needy and vagabonds wander on the street, begging: 'An alm!' They kneel down in the mud, wailing, and then raise a hand in beseechment.)
-
Illegalen, junks, drugsrunners en hoertjes schuimden over de straten. (Illegal immigrants, junkies, drug runners and hookers roamed the streets.) [2006, Daniel de Wolf, Jezus in de Millinx. Woorden én daden in een Rotterdamse achterstandswijk, KOK, 35:]
-
Het was gevaarlijk om naar buiten te gaan, met alle vluchtelingen, zwarten en soldaten van beide partijen die over de wegen schuimden of probeerden naar huis te komen. (It was dangerous to go outside with refugees and Negroes and soldiers from both sides wandering the roads, trying to get home. (original English)) [2012, Lynn Austin, translated by Roelof Posthuma, De plantage, Voorhoeve:]
Etymology
From Middle Dutch schumen, from Old Dutch *scūmen, *skūmen, from Proto-West Germanic *skūmijan (“to foam, froth”), from Proto-West Germanic *skūm (“foam”). Equivalent to schuim (“foam”) + -en.
Verbs referencing "schuimen"
German, old spelling
schäumen, Danish
skumme.
Additional Information