schrobben – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schrobben

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schrobben
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schrobbend
Past participle - Verleden deelwoord: geschrobd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschrob
jijschrobt
hijschrobt
wijschrobben
jullieschrobben
zijschrobben

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschrobd
jijhebt geschrobd
hijheeft geschrobd
wijhebben geschrobd
julliehebben geschrobd
zijhebben geschrobd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschrobde
jijschrobde
hijschrobde
wijschrobden
jullieschrobden
zijschrobden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschrobd
jijhad geschrobd
hijhad geschrobd
wijhadden geschrobd
julliehadden geschrobd
zijhadden geschrobd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schrobben
jijzult schrobben
hijzal schrobben
wijzullen schrobben
julliezullen schrobben
zijzullen schrobben

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschrobd hebben
jijzult geschrobd hebben
hijzal geschrobd hebben
wijzullen geschrobd hebben
julliezullen geschrobd hebben
zijzullen geschrobd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schrobben
jijzou schrobben
hijzou schrobben
wijzouden schrobben
julliezouden schrobben
zijzouden schrobben

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschrobd hebben
jijzou geschrobd hebben
hijzou geschrobd hebben
wijzouden geschrobd hebben
julliezouden geschrobd hebben
zijzouden geschrobd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschrob

Translations

  • scrub, to rub hard
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    boenen
    schoonmaken, zwabberen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch schrobben. Probably an original variant of schrapen (“to scrape”).

    Additional Information