Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: schelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schelend
Past participle - Verleden deelwoord: gescheeld
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | scheel |
| jij | scheelt |
| hij | scheelt |
| wij | schelen |
| jullie | schelen |
| zij | schelen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gescheeld |
| jij | hebt gescheeld |
| hij | heeft gescheeld |
| wij | hebben gescheeld |
| jullie | hebben gescheeld |
| zij | hebben gescheeld |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | scheelde |
| jij | scheelde |
| hij | scheelde |
| wij | scheelden |
| jullie | scheelden |
| zij | scheelden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gescheeld |
| jij | had gescheeld |
| hij | had gescheeld |
| wij | hadden gescheeld |
| jullie | hadden gescheeld |
| zij | hadden gescheeld |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal schelen |
| jij | zult schelen |
| hij | zal schelen |
| wij | zullen schelen |
| jullie | zullen schelen |
| zij | zullen schelen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gescheeld hebben |
| jij | zult gescheeld hebben |
| hij | zal gescheeld hebben |
| wij | zullen gescheeld hebben |
| jullie | zullen gescheeld hebben |
| zij | zullen gescheeld hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou schelen |
| jij | zou schelen |
| hij | zou schelen |
| wij | zouden schelen |
| jullie | zouden schelen |
| zij | zouden schelen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gescheeld hebben |
| jij | zou gescheeld hebben |
| hij | zou gescheeld hebben |
| wij | zouden gescheeld hebben |
| jullie | zouden gescheeld hebben |
| zij | zouden gescheeld hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'schelen'
aanberen,
aanhalen,
aanhelen,
aanhogen,
aanklagen,
aanleren,
aanmarcheren,
aanmeren,
aanrazeren,
aanschemeren,
aansmeren,
aanspelen,
aanspugen,
aantelen,
aanvegen,
aanzagen,
abandonneren,
abdiceren,
abdiqueren,
abduceren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'schelen'
schelden,
schellen,
scheren,
helen,
kochelen,
kuchelen,
rochelen,
schaden,
schakelen,
schallen,
Translations
ail, to cause to suffer
Sample Sentences
-
[...] male schipbreuk geleden, hetgeen mij het hart zou gebroken hebben. Daar ik niets van de kust wist, geraakte mijn vlot aan het eene einde op eene zandbank vast, en daar het andere einde vlot was, scheelde het weinig, of al mijne lading was naar dien kant gerold, die vlot was, en zoo in het water gevallen. Ik deed mijn uiterste best, door met mijn rug de kisten tegen te houden, alles op zijne plaats [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] voor mij geschreven waren; waarom anders zou ik ze juist aangetroffen hebben, toen ik treurde over mijn toestand, als van God en menschen verlaten. Welaan, zeide ik, zoo God mij niet verlaat, wat scheelt het of de geheele wereld mij verlaat. Zoo ik aan den anderen kant de geheele wereld had, en Gods gunst en zegen verloor, zou het verlies oneindig grooter zijn.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch scillen, from Old Dutch skillen, from Proto-Germanic *skiljaną (“to split, cut, divide”). Related to verschil (“difference”) and English skill. See: Proto-Germanic '
*skiljaną'.
Verbs referencing "schelen"
English
skill.
Additional Information