rokeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of rokeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: rokeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: rokerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerokeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrokeer
jijrokeert
hijrokeert
wijrokeren
jullierokeren
zijrokeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerokeerd
jijhebt gerokeerd
hijheeft gerokeerd
wijhebben gerokeerd
julliehebben gerokeerd
zijhebben gerokeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrokeerde
jijrokeerde
hijrokeerde
wijrokeerden
jullierokeerden
zijrokeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerokeerd
jijhad gerokeerd
hijhad gerokeerd
wijhadden gerokeerd
julliehadden gerokeerd
zijhadden gerokeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal rokeren
jijzult rokeren
hijzal rokeren
wijzullen rokeren
julliezullen rokeren
zijzullen rokeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerokeerd hebben
jijzult gerokeerd hebben
hijzal gerokeerd hebben
wijzullen gerokeerd hebben
julliezullen gerokeerd hebben
zijzullen gerokeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou rokeren
jijzou rokeren
hijzou rokeren
wijzouden rokeren
julliezouden rokeren
zijzouden rokeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerokeerd hebben
jijzou gerokeerd hebben
hijzou gerokeerd hebben
wijzouden gerokeerd hebben
julliezouden gerokeerd hebben
zijzouden gerokeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrokeer

Translations

  • castle, chess
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Ultimately from Middle French roquer, from roc (“rock, chess castle”). First attested in the early nineteenth century, with many variants.

    Additional Information