jokeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of jokeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: jokeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: jokerend
Past participle - Verleden deelwoord: gejokerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikjoker
jijjokert
hijjokert
wijjokeren
julliejokeren
zijjokeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gejokerd
jijhebt gejokerd
hijheeft gejokerd
wijhebben gejokerd
julliehebben gejokerd
zijhebben gejokerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikjokerde
jijjokerde
hijjokerde
wijjokerden
julliejokerden
zijjokerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gejokerd
jijhad gejokerd
hijhad gejokerd
wijhadden gejokerd
julliehadden gejokerd
zijhadden gejokerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal jokeren
jijzult jokeren
hijzal jokeren
wijzullen jokeren
julliezullen jokeren
zijzullen jokeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gejokerd hebben
jijzult gejokerd hebben
hijzal gejokerd hebben
wijzullen gejokerd hebben
julliezullen gejokerd hebben
zijzullen gejokerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou jokeren
jijzou jokeren
hijzou jokeren
wijzouden jokeren
julliezouden jokeren
zijzouden jokeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gejokerd hebben
jijzou gejokerd hebben
hijzou gejokerd hebben
wijzouden gejokerd hebben
julliezouden gejokerd hebben
zijzouden gejokerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijjoker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

By surface analysis, joker + -en

Additional Information