royeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of royeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: royeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: royerend
Past participle - Verleden deelwoord: geroyeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroyeer
jijroyeert
hijroyeert
wijroyeren
jullieroyeren
zijroyeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geroyeerd
jijhebt geroyeerd
hijheeft geroyeerd
wijhebben geroyeerd
julliehebben geroyeerd
zijhebben geroyeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroyeerde
jijroyeerde
hijroyeerde
wijroyeerden
jullieroyeerden
zijroyeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geroyeerd
jijhad geroyeerd
hijhad geroyeerd
wijhadden geroyeerd
julliehadden geroyeerd
zijhadden geroyeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal royeren
jijzult royeren
hijzal royeren
wijzullen royeren
julliezullen royeren
zijzullen royeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geroyeerd hebben
jijzult geroyeerd hebben
hijzal geroyeerd hebben
wijzullen geroyeerd hebben
julliezullen geroyeerd hebben
zijzullen geroyeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou royeren
jijzou royeren
hijzou royeren
wijzouden royeren
julliezouden royeren
zijzouden royeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geroyeerd hebben
jijzou geroyeerd hebben
hijzou geroyeerd hebben
wijzouden geroyeerd hebben
julliezouden geroyeerd hebben
zijzouden geroyeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroyeer

Translations

  • expel, to remove from membership
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Na het incident is het lid geroyeerd. (The member was expelled after the incident.)
    • De hypotheek is geroyeerd. (The mortgage has been discharged.)

    Etymology

    From Middle Dutch royeren, from Middle French [Term?], from Old French roier.

    Additional Information