remiseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of remiseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: remiseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: remiserend
Past participle - Verleden deelwoord: geremiseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikremiseer
jijremiseert
hijremiseert
wijremiseren
jullieremiseren
zijremiseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geremiseerd
jijhebt geremiseerd
hijheeft geremiseerd
wijhebben geremiseerd
julliehebben geremiseerd
zijhebben geremiseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikremiseerde
jijremiseerde
hijremiseerde
wijremiseerden
jullieremiseerden
zijremiseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geremiseerd
jijhad geremiseerd
hijhad geremiseerd
wijhadden geremiseerd
julliehadden geremiseerd
zijhadden geremiseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal remiseren
jijzult remiseren
hijzal remiseren
wijzullen remiseren
julliezullen remiseren
zijzullen remiseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geremiseerd hebben
jijzult geremiseerd hebben
hijzal geremiseerd hebben
wijzullen geremiseerd hebben
julliezullen geremiseerd hebben
zijzullen geremiseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou remiseren
jijzou remiseren
hijzou remiseren
wijzouden remiseren
julliezouden remiseren
zijzouden remiseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geremiseerd hebben
jijzou geremiseerd hebben
hijzou geremiseerd hebben
wijzouden geremiseerd hebben
julliezouden geremiseerd hebben
zijzouden geremiseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijremiseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information