refuseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of refuseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: refuseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: refuserend
Past participle - Verleden deelwoord: gerefuseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrefuseer
jijrefuseert
hijrefuseert
wijrefuseren
jullierefuseren
zijrefuseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerefuseerd
jijhebt gerefuseerd
hijheeft gerefuseerd
wijhebben gerefuseerd
julliehebben gerefuseerd
zijhebben gerefuseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrefuseerde
jijrefuseerde
hijrefuseerde
wijrefuseerden
jullierefuseerden
zijrefuseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerefuseerd
jijhad gerefuseerd
hijhad gerefuseerd
wijhadden gerefuseerd
julliehadden gerefuseerd
zijhadden gerefuseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal refuseren
jijzult refuseren
hijzal refuseren
wijzullen refuseren
julliezullen refuseren
zijzullen refuseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerefuseerd hebben
jijzult gerefuseerd hebben
hijzal gerefuseerd hebben
wijzullen gerefuseerd hebben
julliezullen gerefuseerd hebben
zijzullen gerefuseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou refuseren
jijzou refuseren
hijzou refuseren
wijzouden refuseren
julliezouden refuseren
zijzouden refuseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerefuseerd hebben
jijzou gerefuseerd hebben
hijzou gerefuseerd hebben
wijzouden gerefuseerd hebben
julliezouden gerefuseerd hebben
zijzouden gerefuseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrefuseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information