remigreren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of remigreren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: remigreren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: remigrerend
Past participle - Verleden deelwoord: geremigreerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikremigreer
jijremigreert
hijremigreert
wijremigreren
jullieremigreren
zijremigreren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geremigreerd
jijhebt geremigreerd
hijheeft geremigreerd
wijhebben geremigreerd
julliehebben geremigreerd
zijhebben geremigreerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikremigreerde
jijremigreerde
hijremigreerde
wijremigreerden
jullieremigreerden
zijremigreerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geremigreerd
jijhad geremigreerd
hijhad geremigreerd
wijhadden geremigreerd
julliehadden geremigreerd
zijhadden geremigreerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal remigreren
jijzult remigreren
hijzal remigreren
wijzullen remigreren
julliezullen remigreren
zijzullen remigreren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geremigreerd hebben
jijzult geremigreerd hebben
hijzal geremigreerd hebben
wijzullen geremigreerd hebben
julliezullen geremigreerd hebben
zijzullen geremigreerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou remigreren
jijzou remigreren
hijzou remigreren
wijzouden remigreren
julliezouden remigreren
zijzouden remigreren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geremigreerd hebben
jijzou geremigreerd hebben
hijzou geremigreerd hebben
wijzouden geremigreerd hebben
julliezouden geremigreerd hebben
zijzouden geremigreerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijremigreer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information