preciseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of preciseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: preciseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: preciserend
Past participle - Verleden deelwoord: gepreciseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpreciseer
jijpreciseert
hijpreciseert
wijpreciseren
julliepreciseren
zijpreciseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepreciseerd
jijhebt gepreciseerd
hijheeft gepreciseerd
wijhebben gepreciseerd
julliehebben gepreciseerd
zijhebben gepreciseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpreciseerde
jijpreciseerde
hijpreciseerde
wijpreciseerden
julliepreciseerden
zijpreciseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepreciseerd
jijhad gepreciseerd
hijhad gepreciseerd
wijhadden gepreciseerd
julliehadden gepreciseerd
zijhadden gepreciseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal preciseren
jijzult preciseren
hijzal preciseren
wijzullen preciseren
julliezullen preciseren
zijzullen preciseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepreciseerd hebben
jijzult gepreciseerd hebben
hijzal gepreciseerd hebben
wijzullen gepreciseerd hebben
julliezullen gepreciseerd hebben
zijzullen gepreciseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou preciseren
jijzou preciseren
hijzou preciseren
wijzouden preciseren
julliezouden preciseren
zijzouden preciseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepreciseerd hebben
jijzou gepreciseerd hebben
hijzou gepreciseerd hebben
wijzouden gepreciseerd hebben
julliezouden gepreciseerd hebben
zijzouden gepreciseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpreciseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information